|
Startpagina
HET LAND SURINAME
Suriname is een onafhankelijke republiek aan de noordkust van
Zuid-Amerika , 163820 km2. Hoofdstad Paramaribo. Suriname grenst in het
noorden aan de Atlantische Oceaan, in het zuiden aan Brazilië, in het
oosten aan Frans Guyana ( grensrivier is de Marowijne en wel de
midden-as van de rivier ) en in het westen aan Guyana ( grensrivier is
de Corantijn en wel de linker oever, de hele Corantijrivier is dus
Surinaams grondgebied en verder de New river of Nieuwe rivier - zie
kaart - zie ook westgrens-Guyana - ).
De geomorfologie van Suriname vertoont zowel landschappelijk als
geologisch een duidelijke driedeling, van zuid naar noord: het bergland
(grootste hoogte: Julianatop, 1280 rn), de savanne en de kustvlakte. De
afwatering geschiedt door een aantal parallellopende, zuid-noord
stromende rivieren. De grootste hiervan zijn de Corantijn en de
Marowijne. De andere grote rivieren zijn de Coppename, de Saramacca en
de Suriname. Kleinere rivieren zijn o.a. de Nickerie, de Commewijne en
de Cottica.
Suriname heeft een typisch tropisch regenwoudklimaat. De droogste
maanden zijn september en oktober. Er is een dubbele regentijd: een
kleine met een maximum in januari en een grote van april tot half
augustus. Gemiddeld 2200 mm regen per jaar. De gemiddelde temperatuur is
27°C .
BEVOLKING.
De bevolking vertoont een grote etnische verscheidenheid ten gevolge van
de gevoerde koloniale arbeidspolitiek tot instandhouding van de
plantagelandbouw. Deze gevarieerdheid heeft geleid tot wat wel wordt
genoemd een plurale of gesegmenteerde samenleving waarbinnen diverse
etnische groeperingen relatief zelfstandig functioneren, van culturele
assimilatie is nog weinig sprake . In de koloniale en post-koloniale
periode (d.i. tot eind 1975) is de etnisch-culturele scheiding niet door
een effectief nationaal cultuurbeleid tegemoetgetreden: de hiervoor
benodigde middelen bleven goeddeels achterwege, onder meer door de
noodzaak bestedingen te doen in de sociaal-economische sfeer.
Tot dusver heeft zich het streven naar eenheid in verscheidenheid nog
slechts in hoofdzaak langs formele weg gemanifesteerd, o.a. door het
instellen van officiële feestdagen, waarbij christelijke, hindoeïstische
en islamitische feestdagen een plaats kregen naast nationale gedenkdagen
als emancipatiedag (1 juli) en onafhankelijkheidsdag (25 nov.). In
nationalistische stromingen en binnen de vakbeweging zijn sporen van
inter-etnische groepsvorming aanwijsbaar.
De Creolen zijn oververtegenwoordigd in de stad (ca. 75% woont in
Paramaribo). velen hebben van oudsher een administratieve werkkring of
vervullen de meer technische beroepen. Een gering aantal is in de
landbouw werkzaam. Hun sociaal-politieke dominantie is in de loop der
jaren aangetast door de relatief sterke demografische en
sociaal-economische groei van de Hindostanen, die in de stedelijke
administratie (35-40% woont in Paramaribo) een plaats naast de Creolen
opeisen en een belangrijk deel van de handel in handen hebben. Daarnaast
vormen zij de meerderheid onder de kleinlandbouwers. Evenals de
Hindostanen zijn de Javanen niet meer uitsluitend landbouwers. Er is
sprake van een duidelijk proces van sociaal-economische stijging. De
Chinezen hebben in aanvulling op de Hindostanen een deel van de handel
in handen. Zij bezitten een hoog aspiratieniveau voor hun kinderen.
Europeanen (voornamelijk Nederlanders) en andere etnische groepen, onder
wie Libanezen, zijn in aantal gering, maar hun sociale en economische
invloed is niet onbelangrijk.
De Bosnegers wonen als afstammelingen van van de plantages gevluchte
slaven merendeels in het binnenland. De openlegging daarvan heeft hen
dichter bij de Surinaamse kustsamenleving gebracht; hetzelfde geldt - in
beperktere mate - ook voor de Indianen.
Godsdienst. De godsdienstige verscheidenheid is in hoge mate congruent
met de etnische. De Creolen behoren voornamelijk tot de christelijke
kerken, te weten:
1. voor circa 40% tot de Rooms-Katholieke Kerk (het in 1958 opgerichte
en heel Suriname omvattende bisdom Paramaribo wordt sedert 1970 bestuurd
door een Surinaamse bisschop). 2. eveneens voor 40% tot de Evangelische
Broedergemeente ( E.B.G.) 3. voor 15% tot de Hervormde Gemeente en de
Evangelisch-Lutherse Gemeente (beide laatstgenoemde zijn vooral de
kerken van de hogere sociale lagen).
De laatste tijd nemen door de pinksterbeweging geïnspireerde stromingen
vooralonder de minder bedeelde Creolen in invloed toe. Tot de religieuze
uitingen van de Creolen valt ook de beoefening van de winti-cultus te
rekenen. De joodse gemeenten zijn de laatste decennia qua invloed en
aantal in betekenis verminderd. De Hindostanen hangen voor bijna 80% het
hindoeïsme aan (twee stromingen: Sanatan Dharm en Arya Samaj). Circa 15%
van de Hindostanen is moslim , 5% is christen. De Javanen zijn in
hoofdzaak moslim, ca. 7% is christen. De Indianen zijn grotendeels door
missie en zending met het christendom in aanraking gebracht, voor een
kleiner deel belijden zij hun traditionele godsdienst. De Bosnegers zijn
(voor wat betreft de Saramaccaners) eensdeels gekerstend, anderdeels
beoefenen zij een traditionele godsdienst van Afrikaanse herkomst.
Onderwijs. Suriname heeft grote onderwijsproblemen, samenhangend met de
etnisch-culturele verscheidenheid en vragen rond culturele identiteit.
Ook de personeelsvoorziening is door een sterke trek van onderwijzers
naar Nederland problematisch geworden. Bij de opzet en uitbouw van het
onderwijs hebben zending en missie een belangrijke rol gespeeld. Een
aanzienlijk deel van de scholen is in handen van de EBG en de
Rooms-Katholieke Kerk.
Sinds 1968 bezit Suriname een universiteit. Onderwijs is gratis en
sedert 1876 verplicht voor kinderen tussen zes en twaalf jaar.
STAAT, ECONOMIE, GESCHIEDENIS.
Op 25 nov. 1975 werd Suriname een onafhankelijke republiek met een
parlementaire democratie, waarbij het Statuut voor het Koninkrijk der
Nederlanden kwam te vervallen, evenals de Staatsregeling van 1955, die
werd vervangen door de Grondwet, op de naleving waarvan o.m. de door het
parlement gekozen president toeziet.
Suriname en Nederland onderhouden sedert de onafhankelijkheidsverklaring
diplomatieke betrekkingen op ambassadeursniveau. De leden van het
parlement worden voor vier jaar gekozen via algemeen kiesrecht. Na de
revolutie is het parlement, door de Militaire leiding een tijd lang
buiten spel gezet. Het parlement functioneert nu weer en suriname is
weer een rechtstaat.
Muntwezen. Munteenheid is de Surinaamse gulden. De koers van Surinaamse
gulden was vlak voor de onafhankelijkheid ongeveer: Sf 1 = Nf 1,43. De
enorme devaluatie heeft de Surinaamse gulden op een koers doen belanden
van: Sf 882 = Nf 1,00. ( Bron Centrale Bank van 21/11/2001). Een
dieptepunt werd bereikt in Oktober 2000, toen was de Surinaamse nog maar
Sf 1100 = Nf 1,00 waard.
Economie. De economie is vanouds sterk afhankelijk van het buitenland.
Tijdens de bloei van de plantages dreef het land op de suikerexport,
thans in overwegende mate op de winning van bauxiet door de Suralco en
de Billiton. Plannen zijn in uitvoering voor exploitatie van
bauxietreserves in West-Suriname . Het werkgelegenheidsaandeel van deze
sector is thans (1976) nog niet hoog (ca. 8%) en de werkloosheid nam
gedurende de laatste decennia toe, onder meer vanwege de snelle
vermeerdering van de beroepsbevolking, waarvan 25% werkzaam is in de
landbouw. De veeteelt is niet van groot belang. Bosexploitatie en
houtverwerking geven ca. 4% van de beroepsbevolking werk. Visserij is in
de jaren zestig van belang geworden. Afgezien van de bauxietverwerking,
is de industrie niet van grote betekenis. De op de binnenlandse markt
gerichte bedrijven moeten de benodigde grond- en hulpstoffen grotendeels
invoeren, waardoor de toegevoegde waarde gering is. De belangrijkste
partners op het gebied van de handel zijn: de Verenigde Staten, het
Caraïbisch gebied, Nederland en de overige EEG-landen. Goede
vooruitzichten zijn er voor de winning van aardolie en goud. De aardolie
reserves van Suriname bevinden zich voornamelijk in twee grote velden
voor de kust van Suriname.
Geschiedenis. Over de prehistorie van Suriname is door deskundigen op
het terrein van de archeologie de laatste jaren meer aan het licht
gebracht. Het begin van Surinames geschiedenis kan met de reis van de
Spanjaard Alonso de Ojeda, die in 1499 de Guiana's ontdekte, globaal
worden gesteld rond het jaar 1500. Het gerucht, dat zich hier het
goudland El Dorado zou bevinden, deed spoedig daarop ook Engelsen,
Nederlanders en Fransen naar dit gebied trekken.
Na de verovering van Suriname op de Engelsen door de Nederlander Abraham
Crijnssen (1667) hebben o.m. de 1 ste en 2 de West-Indische Compagnie (WIC)
een belangrijke rol gespeeld. De plantagelandbouw die de WIC in de 17de
en 18de eeuw produkten leverde, steunde tot 1863 geheel op het systeem
van de slavernij.
In een lang slepende guerrilla moest veel strijd worden gevoerd tegen
weggelopen slaven (marrons), met als hoogtepunt de Boni-oorlog gedurende
het laatste kwart van de 18 de eeuw. Nadat door de Engelsen in 1808 de
slavenhandel was verboden, kwam na langdurige strijd binnen en buiten
het Nederlandse parlement de emancipatie tot stand, die de afschaffing
van de slavernij op 1 juli 1863 betekende.
De laatste eeuw van Surinames geschiedenis kenmerkte zich gedurende de
eerste helft door immigratie van Aziatische arbeidskrachten (vooral
Hindostanen en Javanen) om het gebrek aan werkkrachten, ontstaan na de
emancipatie, op te heffen. Eveneens kenmerkend voor dit tijdvak was de
assimilatiepolitiek van de Nederlandse regering, erop gericht om de
toenmalige kolonie zoveel mogelijk te vernederlandsen door invoering van
een rechtsbedeling naar Nederlands model in 1869 en de leerplicht in
1876.
Na de laatste eeuwwisseling begon met betrekking tot de juistheid van de
assimilatiepolitiek twijfel te ontstaan, die legislatief voor het eerst
tot uiting kwam ten opzichte van het huwelijksrecht voor de Aziatische
segmenten in de Surinaamse samenleving tijdens het bewind van gouverneur
Kielstra (1933-1944).
Na de Tweede wereldoorlog kwam de gedurende de jaren dertig van deze
eeuw ontwaakte politieke bewustwording in een stroomversnelling, die via
Interimregeling en Statuut resulteerde in de totstandkoming van de
onafhankelijkheid op 25 nov. 1975. Hiermee kwam tevens een eind aan de
grootschalige emigratie gedurende de voorafgaande jaren vanuit Suriname
naar Nederland. Bij de onafhankelijkheid bereikten beide landen
overeenstemming inzake een meerjarenontwikkelingsprogramma voor de
uitvoering waarvan Nederland gedurende 10 tot 15 jaar Nf 3,5 miljard ter
beschikking zal stellen. Nederland heeft eenzijdig de besteding van dit
bedrag gedicteerd. Zo werd ook een groot deel verbrast in de vorm van
een west-Suriname project. De aanleg van een spoorlijn waar nooit een
trein op gereden heeft, materieel zoals treinstellen, die in feite
afgeschreven materiaal van de Nederlandse Spoorwegen waren. Hiervoor
werden forse bedragen betaald. Ook hebben Nederlandse Ingenieursbureaus
dik verdiend aan de ontwikkelingsgelden. Al met al, zo gul als het
beloofd werd, zo goed kon de Nederlandse regering naar zich zelf
toerekenen. Ook werd door andere Nederlandse bedrijven dik verdiend. Er
kwamen volkswoningbouw projekten, waar huizen gebouwd werden met
dakpannen, een nieuw fenomeen in de Surinaamse geschiedenis. Zinkplaten
waren een stuk goedkoper, alleen die werden niet in Nederland gemaakt en
mochten daarom niet gebruikt worden. In 1982 na de decembermoorden werd
dit meerjarenontwikkelingsprogramma stopgezet en het overgebleven geld
bevroren. Met mondjesmaat keurt Nederland nog projecten goed, van de
resterende gelden.
Terug naar
boven |